Studiecentrum  Een Cursus in Wonderen  België

Principe 5

 

Wonderen zijn gewoonten, en horen onopzettelijk te zijn.

Ze dienen niet onder bewuste controle te staan.

Bewust geselecteerde wonderen kunnen een product van misleiding zijn.

 

In principe betekent dit dat het doel van Een cursus in wonderen eruit bestaat ons weg te leiden van onze manier van probleemoplossing. Een van de dingen die wij doen is het probleem aanvallen; we definiëren iets en bedenken daar vervolgens een antwoord op. Daar zijn we voortdurend mee bezig. Het doel van de Cursus is ons te trainen om op een volkomen andere manier naar onze problemen te kijken en ons te helpen dit meer en meer tot een automatische reactie te maken. Met andere woorden: als we ons bijvoorbeeld in een bepaalde situatie bevinden en iemand doet iets waar we verdrietig of boos om worden, moet het steeds meer een gewoonte worden om meteen naar binnen te kijken en om hulp te vragen bij het veranderen van onze waarneming van deze persoon of situatie. Dat bedoelt de Cursus wanneer hij zegt dat een wonder "onopzettelijk" hoort te zijn: wij doen het niet, we laten het gebeuren.

Een van de sleutelbegrippen van de Cursus, die hem onderscheidt van veel New Age-denksystemen, die vaak soortgelijke ideeën hebben, is de verklaring dat we het niet alléén kunnen. Wij kiezen de wonderen, maar wij verrichten ze niet. Ze kunnen niet plaatsvinden zonder de hulp van de Heilige Geest. Dat wordt bedoeld met "ze dienen niet onder bewuste controle te staan". In hoofdstuk 2 van het Tekstboek spreekt Jezus over het verschil tussen zijn leiding en controle (T2.VI.1:3-8; 2:7-10). Hij zegt dat we al onze angst- en afscheidingsgedachten aan hem moeten geven, zodat hij ze voor ons kan beheren en ons kan leiden. Maar nogmaals, we moeten niet proberen dit zelf te doen. Wij hebben niet de leiding, die heeft hij. Ons doel is genezen te worden, zodat hij via ons kan denken, spreken en handelen.

De Cursus ontkent dus niet dat wij problemen hebben in deze wereld, hij zegt alleen dat we daar anders naar kunnen kijken. Het moet een gewoonte worden om te reageren met: wat kan ik hiervan leren? Geleidelijk aan moet onze reactietijd steeds korter worden en moeten we onze waarneming van wat we denken dat ons van streek maakt, steeds sneller laten corrigeren.

Vraag: Kunnen we ten opzichte van Jezus het woord "afstemmen" gebruiken?

Antwoord: Dat kan in die zin dat we onze gedachten afstemmen op die van hem, zodat we hetzelfde gaan denken als hij. Een cursus in wonderen is een training, zoals het Tekstboek zegt aan het eind van hoofdstuk 1 (T1.VII.4:1). Het gaat om het trainen van de denkgeest, met het doel ons volkomen anders te leren denken. En het betreft een zeer radicaal nieuw denksysteem: het onderwijst het tegenovergestelde van alles wat de wereld gelooft. Het onderwijst ook het tegenovergestelde van wat veel religieuze of spirituele stromingen geloven. Toch zegt de Cursus duidelijk niet de enige weg te zijn, niet de enige vorm of waarheid, maar een van de "vele duizenden andere vormen" (H1.4:2).Het is echter wel een specifieke weg, die je niet kunt combineren met iets anders. Hoe meer we ontdekken wat de Cursus zegt, des te meer we zullen zien hoe radicaal hij is.

Dit vijfde wonderprincipe zegt dat we onze eigen waarnemingen niet kunnen vertrouwen en daarom ook niet moeten kiezen hoe we zullen reageren op wat we waarnemen. Dat wordt bedoeld met "bewust geselecteerde wonderen kunnen een product van misleiding zijn". Het woord 'wonder' wordt hier gebruikt in de betekenis van iets wat we doen. Maar wij zijn niet degenen die daarin keuzes dienen te maken. Als we bij iemand zijn die lijdt, kunnen we instinctief iets willen doen om de ander te genezen of in elk geval zijn pijn te verlichten,  maar misschien is dat niet het meest liefdevolle om te doen. Misschien willen we het uit medelijden doen, of uit schuldgevoel, of vanuit onze eigen ervaring met lijden. Het is dus mogelijk dat het niet uit liefde voortkomt. Wat Jezus hier zegt is: "selecteer niet bewust wat liefdevol is. Laat mij dat voor jou doen". Dit is een duidelijke en belangrijke verklaring.

Een van de verleidingen waarmee studenten van de Cursus, maar ook mensen die andere spirituele paden volgen, te maken krijgen is een soort spirituele weldoener te worden. Je wilt bijvoorbeeld vrede brengen aan de wereld, je wilt mensen tot de waarheid brengen, je wilt het lijden van mensen wegnemen, enzovoort. Maar het enige wat je dan doet is het lijden werkelijk maken, omdat je dit buiten jezelf waarneemt. Je realiseert je niet dat je het alleen maar buiten jezelf ziet omdat het zich binnenin jezelf bevindt. Als je pijn waarneemt in een ander en je met die pijn identificeert, kun je dat alleen omdat deze pijn in jezelf zit. Het is een reactiepatroon: ik vind mezelf slecht en verdedig me tegen mijn schuldgevoel door te proberen anderen te helpen, als verzoening voor mijn zonde die ik werkelijk heb gemaakt. Dit betekent niet dat je moet ontkennen wat je ziet. Wanneer iemand zijn arm breekt en het uitschreeuwt van pijn is het niet de bedoeling dat je de pijn van deze persoon ontkent en hem de rug toekeert. Het betekent dat je op een andere manier naar die pijn kijkt; dat je beseft dat de werkelijke pijn niet lichamelijk is, maar veroorzaakt wordt door het geloof in afscheiding in de denkgeest. Als je een instrument van genezing wilt zijn help je die persoon door hem zo snel mogelijk naar een ziekenhuis te brengen. Wat je hiermee in werkelijkheid doet is je met deze persoon verenigen, in de wetenschap dat jullie beiden in dezelfde mate genezen worden.

Waar het om gaat is dat we deze beslissingen niet alléén moeten nemen. Vaak denken we te helpen, terwijl we in werkelijkheid schuld uitbreiden. Medelijden is geen liefdevolle reactie, evenmin als sympathie, omdat het betekent dat je jezelf anders ziet dan de ander. In hoofdstuk 16 van het Tekstboek maakt de Cursus verschil tussen valse en ware inleving (T16.I). Valse inleving betekent dat je je identificeert met het lichaam van een ander - of dat nu het fysieke of psychologische lichaam is - waarmee je die ander zwak maakt door het lichaam werkelijk te maken. Ware inleving betekent dat je je identificeert met de kracht van Christus in de ander, in het besef dat de vraag om hulp van die ander jouw eigen vraag om hulp is. Daardoor verenig je je met de ander voorbij het lichaam.

Het kernprobleem, waar we alert op moeten zijn, is alles wat het idee van afscheiding versterkt. Dat maakt de zienswijze van de Cursus zo verschillend van wat andere spirituele wegen genezing noemen. Genezen is niet iets wat iemand doet. Ware genezing, zoals Een cursus in wonderen deze ziet, is niet het gevolg van het uitspreken van een gebed, of van handoplegging, of van het doorgeven van energie, of alles wat daar op lijkt. Als je dat doet maak je het lichaam werkelijk en zeg je dat jij een gave hebt die anderen niet hebben. Dat is geen genezing. Dit betekent niet dat dergelijke benaderingen niet behulpzaam kunnen zijn en dat je ze niet zou moeten gebruiken. Het betekent alleen dat je het geen genezing moet noemen, omdat je dan het afscheidingsidee versterkt.

De enige werkelijke energie in deze wereld is de Heilige Geest. Al het andere is valse energie, afkomstig van het ego. De genezende energie van de wereld is vergeving, afkomstig van de Heilige Geest in onze denkgeest. Elke andere vorm van energie heeft relevantie, bestaan en werkelijkheid in de wereld van het lichaam, maar die wereld is illusoir. De Cursus bedoelt met genezing de vereniging met de Heilige Geest in je denkgeest door Zijn waarneming met Hem te delen en je daardoor te verenigen met anderen. Nogmaals, wij zijn niet degenen die weten wat ons wel of niet te doen staat. Hij is de enige die weet op welke manier een wonder tot uiting komt. Vervolgens laat Hij dat wonder via ons plaatsvinden. Het uit breiden van vergeving is de functie van de Heilige Geest en onze enige zorg is Hem te geven wat door Hem kan worden uitgebreid (T22.VI.9:2-5). Dat is waar we over struikelen.

We proberen zelf wonderen te verrichten, wat liefdevol of heilig lijkt, maar in werkelijkheid laten we op een subtiele wijze de arrogantie van het ego de rol van God op zich nemen. Onze enige verantwoordelijkheid is hulp vragen om de dingen te zien zoals Jezus ze ziet, in plaats van hoe het ego ze ziet. Dat is het wonder. Dan laat hij het wonder door ons heen plaatsvinden en vertelt hij ons wat we wel en niet moeten doen.

De reden waarom er zoveel veroordeling en intolerantie is tussen de verschillende religieuze en spirituele wegen, is dat schuld nooit echt wordt vergeven maar alleen wordt onderdrukt en vervolgens naar buiten wordt geprojecteerd in de vorm van religieuze superioriteit. Ik herinner mij een voorval van enkele jaren geleden, kort nadat Een cursus in wonderen was gepubliceerd. We ontmoetten iemand die een lijst had gemaakt van de correcties van de Cursus op de Bijbel. Hij had deze aan diverse predikanten laten zien en benadrukt wat Jezus in werkelijkheid had onderwezen. Wat hij in feite deed was de traditionele kerken om de oren slaan met de Cursus, zoals hij volgens hemzelf om de oren was geslagen met de Bijbel. Gelukkig konden we hem nog tegenhouden.

Het punt is dat we alert moeten zijn op wat zich in onze denkgeest afspeelt en ons bewust moeten zijn van elke gedachte die ons van anderen afscheidt, in het besef dat dit het ego is. We moeten altijd voorzichtig zijn met het beoordelen van vormen, wat uiteraard de enige manier is waarop het ego kan oordelen. Het is waar dat in de illusoire wereld sommigen verder zijn dan anderen - Jezus is daar het ultieme voorbeeld van - maar desondanks moeten we altijd voorzichtig zijn met oordelen.

Vraag: Ik vind dit heel erg moeilijk. Als verpleegkundige wordt van mij verwacht dat ik reageer op pijn en lijden en ik bid dat ik in noodgevallen het juiste doe.

Antwoord: Dat is precies waar ik het over heb. Het is niet de bedoeling dat je, wanneer iemand de spoedeisende hulp binnenkomt en bijna doodbloedt, zegt: "Wacht even, ik moet eerst mediteren en vragen wat ik moet doen." Dat is niet liefdevol. Het gaat om je intentie dat je het juiste wilt doen, dat je wilt dat Jezus door jou heen handelt, en dan zul je het juiste doen. Wanneer ik als psycholoog met mensen in gesprek ben kan ik niet elk kwartier pauzeren en zeggen: "Stop, ik moet even contact opnemen met de Baas voordat ik je kan zeggen wat je moet doen." Ik vertrouw er op dat mijn reacties en antwoorden afkomstig zijn van de Heilige Geest en niet van het ego. Ik observeer wel voortdurend mijn gevoelens en gedachten, zodat ik herken wat van het ego afkomstig is en niet van Hem. En dan vraag ik om Zijn hulp om dat van me weg te nemen. Ik focus niet op wat ik zeg, want als ik dat zou doen zou ik over mijn woorden struikelen en niet kunnen zeggen wat ik wil zeggen. Mijn focus ligt op het uit de weg gaan van het ego.

Vraag: En dat doen we dus niet bij handoplegging en bidden voor iemand die ziek is?

Antwoord: Dat hangt af van de intentie waarmee je het doet. Als je merkt dat handoplegging iemand helpt is daar niets mis mee, zolang je je maar realiseert dat het alleen maar een vorm is die de Heilige Geest gebruikt om jou met iemand te verenigen, en dat de genezing niet tot stand komt door de handoplegging zelf. Ik bedoel, stel dat je handen gebroken zijn of dat je verlamd bent. Kun je anderen dan niet genezen? Het is niet de vorm die geneest, het is de betekenis die jij aan de vorm geeft. Paragraaf IV van hoofdstuk 2, "Genezing als bevrijding van angst", beschrijft het verschil tussen magie en genezing. Alles wat met het lichaam te maken heeft is magie. Alles wat we op dat niveau doen om een probleem op te lossen is magie, omdat we het probleem zien als iets lichamelijks en de remedie dus op het lichaam toepassen. Dit geldt zowel voor de traditionele geneeskunde, als voor alternatieve geneeswijzen, handoplegging en bidden. Het zijn allemaal vormen van magie.

Dat betekent echter niet dat het zondig is. "De waarde van de Verzoening ligt niet in de manier waarop ze tot uitdrukking wordt gebracht" (T2.IV.5:1). De Verzoening, waar we het nog over gaan hebben, is het woord dat de Cursus gebruikt voor de correctie van het ego. Omdat het ego gebaseerd is op afscheiding, verwijst het Verzoeningsbeginsel dus naar vereniging. "In feite zal ze, als ze waarachtig wordt benut, onvermijdelijk worden uitgedrukt op de manier die de ontvanger het meest zal helpen. Dit betekent dat een wonder, wil het zijn maximale effect sorteren, moet worden uitgedrukt in een taal die de ontvanger zonder angst kan verstaan" (T2.IV.5:2-3).

Als mensen naar je toekomen en geloven dat jouw handoplegging hen kan genezen, dan moet je dat natuurlijk doen. Als ik geloof dat ik mij beter zal voelen wanneer een chirurg mijn lichaam opensnijdt en er een tumor uithaalt, dan moet ik dat natuurlijk doen. Als mensen geloven dat ze geholpen worden wanneer jij samen met hen bidt, dan moet je dat natuurlijk doen. De Cursus zegt alleen dat je je moet realiseren dat wat je doet niets te maken heeft met de vorm, maar met de onderliggende intentie waarmee je het doet: je vereniging met anderen. Op welke manier jij die vereniging tot stand brengt maakt de Heilige Geest niets uit. Aangezien we leven in een wereld van symbolen en lichamen moeten we symbolen en ons lichaam gebruiken. Het Lied van het gebed (een brochure die Helen schreef na de voltooiing van de Cursus) zegt dat het een misvatting is te geloven dat jij over genezende gaven beschikt die anderen niet hebben (L3.III.1-3). De Heilige Geest vraagt dus niet van je dat je moet stoppen met wat je aan het doen bent. Het enige wat Hij van je vraagt is stoppen met denken dat de vorm van wat je doet genezende eigenschappen bezit. Want als je dat doet zeg je dat iets in deze wereld werkelijk is, dat bijvoorbeeld woorden macht hebben. Maar woorden kunnen geen macht hebben. Woorden zijn slechts symbolen van symbolen en daarom dubbel van de werkelijkheid verwijderd (H21.1:9-10).

Krishnamurti bedacht een slimme manier om dit duidelijk te maken. Als je een voorwerp heilig wilt maken, kun je het volgende experiment doen: zet het op je schoorsteenmantel en geef het gedurende dertig dagen elke dag aandacht. Zet er bloemen bij neer, brand er wierook bij en zeg er iets tegen - "Shaloom" of "Coca-Cola", of wat ook maar jouw favoriete mantra is. Na die dertig dagen zal het voorwerp voor jou heilig zijn, niet omdat het werkelijk heilig is, maar omdat jij het heiligheid hebt gegeven door te geloven dat het heilig is.

Niets in deze wereld is heilig, omdat er niets in deze wereld is. Alles is een product van onze denkgeest. Als wij geloven dat iets heilig is, wordt het heilig voor ons. Als we het gevoel hebben dat iets of iemand in de wereld een zekere macht heeft, komt dat doordat wij het of hem die macht hebben gegeven. De enige macht in deze wereld is universeel, en dat is de macht van Christus in ieder van ons. Die macht delen we in gelijke mate met iedereen. Als je gelooft dat bepaalde dingen of mensen in deze wereld heiliger of machtiger zijn dan andere, geloof je in een hiërarchie in illusies. En dat is de eerste wet van de chaos (T23.II.2:3). Het is de eerste chaotische wet, omdat alle andere wetten daarop berusten.

Dit geldt ook voor Een cursus in wonderen. Het enige heilige aan dit boek is dat het je dichter bij God kan brengen, maar dat kan overal van gezegd worden. Het boek zelf is niet heilig. Soms naderen mensen het met een buiging, knielen er voor en raken het eerbiedig aan. Daar is niets mis mee, maar ze projecteren iets op het boek wat zich in hun hun denkgeest bevindt. Er is niets in deze wereld van vormen, wat ook maar iets betekent. Dat leren de eerste lessen van het Werkboek ons. De enige betekenis die iets kan hebben is de betekenis die jij eraan geeft. Als het ego in jou iets betekenis geeft, is het betekenisloos. Als de Heilige Geest in jou het doet, is het betekenisvol. Zoals reeds gezegd betekent dit niet dat je specifieke vormen, die voor jou werken, op moet geven. Dat is niet wat de Cursus zegt. Het enige wat hij zegt is: realiseer je dat de reden waarom een vorm voor jou werkt jouw geloof in zijn werking is. Daarom kan het een middel zijn dat door Jezus en de Heilige Geest wordt gebruikt om je te helpen inzien wat de ware Bron van alle betekenis is, namelijk God.

Dat is wat het wonder doet. Het corrigeert de misvatting van het ego dat er buiten ons iets bestaat, een probleem of een oplossing. Het leert ons dat de enige betekenis van iets ligt in de manier waarop we het gebruiken. Alles in deze wereld kan dus gebruikt worden om ons dichter bij God te brengen.

Vraag: Kun je dat nog iets toelichten?

Antwoord: Veel studenten van de Cursus begrijpen het verkeerd en haken op dit punt af. Maar nogmaals: dat magie niet geneest wil niet zeggen dat ze slecht of zondig is. In deze wereld kunnen we niet buiten magie. Alles op het niveau van de wereld is magie, ook deze cursus. Maar het doel dat jij er aan geeft kan hem veranderen in een wonder.

Vraag: Dus de zonsopgang- en ondergang zijn niet Gods schepping en niet werkelijk?

Antwoord: Nee. Het enige wat werkelijk is aan een zonsondergang is dat de Heilige Geest hem kan gebruiken als een manier om je dichter bij God te brengen. Maar de zonsondergang zelf is een illusie. God heeft de zonsondergang niet geschapen, evenmin als de zon en de wereld. Het basisonderwijs van de Cursus zegt dat wij de wereld hebben gemaakt. Sommige dingen, zoals de zonsopgang- en ondergang, hebben we heel goed gedaan, maar andere dingen, zoals een verschroeiende woestijnzon die mensen doodt, niet. We hebben het goed gedaan met zachte regen die het gras laat groeien, maar niet met orkanen en overstromingen. Alles in deze wereld is een tweesnijdend zwaard en daarom zegt de Cursus dat God dit niet geschapen kan hebben. God, die geest is, kan alleen uitbreiden of scheppen wat is zoals Hij. Hij kan geen lichaam scheppen dat niet is zoals Hij. Dat is het maaksel van het ego: het lichaam is de projectie van de afscheidingsgedachte.

Vraag: Was het ego er eerder dan het lichaam?

Antwoord: Ja. Er was een gedachte van afscheiding en een geloof dat we afgescheiden konden zijn van God. Dat is het ego. De wereld en het lichaam zijn de projectie van deze afscheidingsgedachte.

Het  Studiecentrum ECIW België  wil de student behulpzaam zijn bij het doen van de werkboeklessen.